Brede welvaart: een politieke zoektocht naar balans?
Brede welvaart is in de afgelopen jaren meer dan een beleidsmatig begrip geworden. En toch blijft de vertaling van het begrip naar de dagelijkse praktijk een uitdaging. We legden drie van onze VU-hoogleraren, Henri de Groot, Erik Verhoef en Bas Jacobs, het vuur aan de schenen. Over één ding waren ze het in elk geval allemaal eens: als de politiek brede welvaart niet écht serieus gaat nemen, komen we met z’n allen binnenkort van een koude kermis thuis.
Auteur: Rachelle Wagner
Waar ging het mis? Voor Henri de Groot, hoogleraar Regionaal Economische Dynamiek, is dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw, met econoom Milton Friedman, de grote voorvechter van de vrijemarkt-werking. “Ik vind dat Friedman als econoom de samenleving een slechte dienst heeft bewezen. Hij wist velen te overtuigen dat ‘the social responsibility of business is to increase its profits’.” Oftewel: winstmaximalisatie is het belangrijkste waar bedrijven zich op moeten richten. De Groot ziet dat als een belangrijk kantelpunt in de moderne geschiedenis. “In mijn beleving heeft Friedman ervoor gezorgd dat zowel Margaret Thatcher als Ronald Reagan een legitimatie vonden om het beleid te voeren dat ze gevoerd hebben.” De gevolgen bleven niet uit: “Met name bij Thatcher heeft dat ertoe geleid dat ze op rigoureuze manier de macht van de vakbonden heeft gebroken. Dat leidde tot gevolgen die gunstig waren voor bedrijven, maar ongunstig voor de ‘gewone’ man.”
"We zijn doorgeschoten in een vorm van hyperkapitalisme."
Maar er volgden daarna toch decennia van groei? Dat klopt, beaamt De Groot. “Dat heeft ons in eerste instantie veel opgeleverd in termen van materiële welvaart.” Maar tegelijkertijd ook een steeds verdere concentratie van macht en met negatieve gevolgen voor milieu en samenleving. “Dat is doorgeschoten in een vorm van hyperkapitalisme,” zegt De Groot.
Winst versus welvaart En dan komen we terecht bij het cruciale punt van deze discussie: want winst maximaliseren is niet hetzelfde als welvaart maximaliseren. Maar wat is welvaart dan precies? En hoe meet je dat? Bas Jacobs, hoogleraar Economie en Overheidsfinanciën, is daar duidelijk over: “Welvaart is binnen de economische wetenschap een volkomen helder begrip. De kennis die hierover door economen in de afgelopen eeuw is vergaard, lijkt echter compleet verdwenen uit het Nederlandse beleidsdebat.”
"Het CBS werkt met indicatoren die zij scoren als ‘positief voor de welvaart’, terwijl een aantal van deze indicatoren vanuit klassiek economisch begrip de welvaart juist verlaagt."
Hij noemt daarbij als voorbeeld hoe het CBS welvaart in kaart probeert te brengen. “Het CBS heeft inmiddels meer dan tweehonderd indicatoren als het gaat om welvaart. Terwijl: we moeten niet meer of minder meten, maar helder gaan nadenken over welvaart.” Hij noemt als voorbeeld de manier waarop we naar werk kijken. “Het CBS werkt met indicatoren die zij scoren als ‘positief voor de welvaart’, terwijl een aantal van deze indicatoren vanuit klassiek economisch begrip de welvaart juist verlaagt. Denk maar na: als we met z’n allen veel harder gaan werken, kunnen we weliswaar meer inkomen vergaren, maar we brengen óók een offer. We hebben minder tijd voor onze vrienden, thuis, met onze kinderen en voor onze ouders. Werken an sich is dus daarmee welvaartsverlagend.” Jacobs herhaalt een belangrijke vuistregel in de economie: “Dingen behoren alleen tot de welvaart als je er een offer voor brengt. Dus andersom geldt: als je er geen offer voor brengt, behoort het niet tot de welvaart.”
De rekening gepresenteerd
Erik Verhoef, hoogleraar Ruimtelijke Economie, redeneert vanuit een ander vertrekpunt, maar komt wel op dezelfde boodschap: wat je niet meeweegt, wreekt zich vroeg of laat. “Als we niets gaan doen aan een aantal belangrijke dossiers: klimaat, landbouw, drinkwater, CO2-uitstoot, dan gaat dat echt een probleem worden.” De rekening wordt hoe dan ook gepresenteerd, is het niet in het hier en nu, dan betalen mensen elders of later de rekening. De belangrijke vraag is: wat gaan en kunnen we daaraan doen?
Verhoef pleit voor het systematisch verwerken van maatschappelijke waarden in prijzen, onder meer door milieu-effecten te beprijzen, en voor het hanteren van een instrument om de toekomstige rekening expliciet zichtbaar te maken: een kapitaalbegroting. “Als je de waarde van bijvoorbeeld infrastructuur en natuurlijk kapitaal net zo bijhoudt als geld, dan valt achterstallig onderhoud eerder op,” legt hij uit. “Er ligt nu voor onze rijksinfrastructuur een onderhoudsopgave van vijftig tot tachtig miljard euro. Daar is geen cent voor gereserveerd, juist omdat we die waarde nooit hebben bijgehouden. Terwijl het natuurlijk zo klaar als een klontje zou moeten zijn dat onderhoud van wegen die decennia geleden zijn aangelegd, er een keertje aan zit te komen.”
"Als we niets gaan doen aan een aantal belangrijke dossiers: klimaat, landbouw, drinkwater, CO2-uitstoot, dan gaat dat echt een probleem worden."
Toeval of niet, De Groot noemt ook dat dit soort verborgen rekeningen onhoudbaar zijn. Hij kijkt daarbij ook vooruit: “We leggen enorme rekeningen neer bij toekomstige generaties. Dat vind ik als mens onverteerbaar, maar ik kan ook objectief staven dat het echt heel dom beleid is dat we aan het voeren zijn.”
Het raamwerk meegeven Precies dat – het objectief staven, het opstellen van instrumenten, het begrijpen en uitleggen van hoe welvaart dan wél in elkaar zit – is waar economen een rol hebben te spelen. Daarover is het drietal eensgezind. Alleen kunnen zij niet bepalen welke keuzes er dan gemaakt worden, welk beleid er gevoerd moet worden of welke compromissen er gesloten moeten worden. Dát is aan de overheid. Zoals De Groot het verwoordt: “Wij houden als economen van optimaliseren onder randvoorwaarden. Maar de sociale welvaartsfunctie kunnen wij niet kennen. Daar moeten wij als economen ook eerlijk over zijn. Want om die te bepalen, heb je gewichten nodig.” En die gewichten zijn subjectief, daar zijn de drie hoogleraren het met elkaar over eens. Die moet je als wetenschapper ook helemaal niet willen bepalen. Verhoef: “Wij moeten ervoor zorgen dat we de raamwerken van de waarde-afweging laten zien, zónder dat we die afweging zelf als econoom maken.” Jacobs voegt daaraan toe: “Ik stel me als econoom de vraag hoe de overheid een bepaalde maatschappelijke opvatting van rechtvaardigheid tegen de laagste kosten kan realiseren. Zonder zelf een uitspraak te doen over wat de juiste maatschappelijke opvatting is.” Maar voordat ze dat kunnen, is het van groot belang dat de politiek bepaalt wat zij belangrijk vinden. “Zij horen de gewichten te bepalen,” zegt De Groot. “En als zij die gewichten vervolgens aan ons meegeven, kunnen wij gaan optimaliseren.”
"Brede welvaart is niet voor luie bestuurders."
Maar precies daar wringt nu de schoen. Want de politiek heeft nu liever dat ze wordt verteld wat ze moeten doen. Vandaar waarschijnlijk ook die drang om de welvaart plat te slaan tot één of een paar getalletjes. Dat is tenslotte een stuk makkelijker dan rekening houden met allerlei complexe vraagstukken, afwegingen en consequenties. Maar zegt Verhoef, we hebben geen keuze: “We moeten ‘afruilen’, want onze keuzes gaan steeds pijnlijker worden, door toenemende schaarste langs steeds meer dimensies.” De Groot: “Brede welvaart is niet voor luie bestuurders. Veel bestuurders willen geen kleur bekennen in wat ze belangrijk vinden. De politiek laat ons op dit moment in de steek.”
“Ik zie dat het denken over brede welvaart een linkse hobby is geworden,” vult Jacobs aan. “Dat is vervelend, want welvaart is niet links of rechts. Als links nu met brede welvaart aan de gang gaat, betekent dat kennelijk dat rechts ertegen is.” Het resultaat: een begrip dat politiek is vastgelopen.
Snappen wat er speelt Je zou kunnen denken dat dit allemaal betekent dat wetenschappers hun handen aftrekken van het politieke en publieke debat. Maar niets is minder waar – althans, niet als je het vraagt aan deze drie hoogleraren. De Groot eindigt daarom met een oproep: blijf niet achter je bureau zitten als wetenschapper. Je moet ook snappen wat er speelt. “En dat kan niet vanuit een ivoren toren. Je moet ook vieze handen durven te maken.” Jacobs is er heel nuchter over: “Het is een soort loodgieterswerk wat we doen: de samenleving zegt wat ze wil en wij denken vervolgens na over hoe je dat het beste voor elkaar krijgt.”
Brede welvaart is dus geen trucje, maar het instrument om de onvermijdelijke keuzes weer bespreekbaar te maken. Zoals De Groot het mooi samenvat: “Dat is voor mij brede welvaart: een zoektocht naar balans op alle dimensies.”

Henri de Groot is hoogleraar Regionaal Economische Dynamiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam en kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER). Zijn onderzoek richt zich op regionale economische groei, energie- en milieueconomie en technologieadoptie, en hij geeft college in Regional and Urban Economics, Microeconomics en Globalization and Transaction Costs.
Erik Verhoef is hoogleraar Ruimtelijke Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, research fellow bij het Tinbergen Instituut, en raadslid bij de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli). Zijn onderzoek richt zich op de economie van transport, stedelijke en ruimtelijke externaliteiten, met nadruk op beleidsontwerp en -evaluatie. Hij geeft college in onder meer Transport Economics, Microeconomics en Spatial and Transport Economics (Tinbergen Instituut).
Bas Jacobs is hoogleraar Economie en Overheidsfinanciën aan de Vrije Universiteit Amsterdam en research fellow van het Tinbergen Instituut en CESifo. Zijn onderzoek bestrijkt openbare financiën, optimale belastingheffing, welvaartseconomie, human capital-theorie en arbeidseconomie.